Voornaamste ontwikkelingen sedert 2000 : België
behoudt een leidinggevende functie bij de promotie, de wereldwijde verbreiding
en de effectieve uitvoering van het Verdrag voor het Verbod van Landmijnen (Mine
Ban Treaty). Sedert september 2000 vervulde België de rol van
medevoorzitter van het permanent comité voor het statuut en de algemene
werking van het Verdrag. Het Belgisch Parlement heeft tijdens het jaar 2000
meer dan 3,7 miljoen US$ (hetzij 166.685.000 BEF of 4.132.217 Euro’s)
besteed aan de acties tegen de landmijnen, hetgeen een vermeerdering betekent in
verhouding tot de vorige jaren.
POLITIEK VAN VERBOD VAN LANDMIJNEN
Op 3 december 1997 ondertekende België het
Verdrag voor het Verbod van Landmijnen en ratificeerde het op 4
september 1998 om aldus één der Verdragspartijen te worden van
het Verdrag van 1 maart 1999 .
België had voordien reeds een nationale wetgeving in leven geroepen, die
over de toepassing zou waken van het verbod op de vervaardiging, de aan- en
verkoop, de uitvoer, het gebruik en het opslaan van
antipersoonsmijnen[1].
Ter gelegenheid van de Tweede Bijeenkomst van de lidstaten van het
Verdrag in september 2000, werd de Belgische delegatie geleid door de
Heer Ambassadeur Marc Baptist, Adjunct-Directeur-Generaal van het Departement
der Politieke en Multilaterale Betrekkingen en Thematische Vraagstukken van het
Ministerie van Buitenlandse Zaken, en door de Heer Ambassadeur Jean Lint,
permanent Afgevaardigde bij de Ontwapeningsconferentie (CD). Ook raadgevers van
de NGO HIB maakten deel uit van de Belgische afvaardiging. In haar toespraak
tijdens de openingsplechtigheid, onderlijnde Hare Koninklijke Hoogheid Prinses
Astrid van België het belang van de wereldwijde verbreiding van het Verdrag
voor het Verbod van Landmijnen. Tevens pleitte zij voor een grotere solidariteit
met de slachtoffers van
landmijnen[2].
België behoudt een belangrijke functie bij de promotie van
toetreding en toepassing van het Verdrag voor het Verbod van Landmijnen.
Zo heeft België, bijvoorbeeld, te Bamako in Mali actief deelgenomen aan een
Seminarie over de toepassing en de wereldwijde verbreiding van het Verdrag voor
het Verbod van Landmijnen in Afrika. België promoot deze wereldwijde
verbreiding via bilaterale contacten. De Heer Louis Michel, Vice-Eerste
Minister en Minister van Buitenlandse Zaken, zond brieven naar een aantal
Staten, die nog niet toetraden tot het Verdrag, om dezen ertoe aan te sporen
dit te doen. Ook via multilaterale en/of internationale fora, zoals de
Verenigde Naties, de NATO en de Ontwapeningsconferentie, worden inspanningen
geleverd om de wereldwijde verbreiding te bevorderen. De interdepartementele
werkgroep, opgericht door het Ministerie van Buitenlandse Zaken, heeft zijn
promotiewerk van het Verdrag voortgezet en nodigt de NGO Handicap International
regelmatig uit op zijn vergaderingen.
Ter gelegenheid van de Tweede Conferentie van de Verdragspartijen van
het Verdrag van 1 maart 1999, werd België, samen met Zimbabwe,
mede-voorzitter van het permanent comité voor het statuut en de algemene
werking van het Verdrag van het Verbod op Landmijnen. Dit comité heeft
het belang onderstreept van de voortdurende inspanningen voor de wereldwijde
verbreiding van het Verdrag voor het Verbod van Landmijnen. Samen met een
aantal staten heeft België het initiatief genomen een “contactgroep
voor de wereldwijde verbreiding” op te richten.
Deze groep coördineert de initiatieven die genomen worden om de staten,
die nog geen Verdragspartij zijn, aan te moedigen dit onverwijld te worden en
over te gaan tot de ratificatie ervan. Deze groep werd officieel erkend tijdens
de Tweede Conferentie van de
Verdragspartijen[3].
Tijdens de vergaderingen van de permanente comités in december 2000 en
in
mei 2001 profileerde België zich als een zeer actieve deelnemer.
België verleende financiële steun aan het Internationaal Centrum voor
Humanitaire Ontmijning te Genève, met als doel een fonds op te richten
dat een grotere deelname aan de vergaderingen van de permanente
comité’s en van de Verdragspartijen zou mogelijk maken voor de
zuidelijke staten.
Bovendien coördineert België de inspanningen die geleverd worden om
de Verdragspartijen ertoe aan te moedigen binnen de voorziene termijn aan hun
verplichting te voldoen om een rapport over de toepassingsmaatregelen van
het Verdrag voor het Verbod van Landmijnen uit te brengen, zoals
voorzien in artikel 7.
In samenwerking met de NGO VERTIC, de Internationale Campagne tegen de
Landmijnen en het Departement voor de Ontmijning van de Verenigde Naties, heeft
België stappen ondernomen om een leidraad te ontwikkelen over de te volgen
koers voor het correct indienen van een transparant rapport, zoals gevraagd in
het art.7 van het Verdrag. Tijdens het Seminarie van Bamako, hebben Burkina
Faso en België het voorzitterschap waargenomen van een werkvergadering over
de opmaak van rapporten in het kader van artikel 7 van het Verdrag. Beide
landen waren het erover eens een contactlijst op te stellen van de Afrikaanse
afgevaardigden die verantwoordelijk zijn voor de opstelling van het rapport
zoals voorzien in het
België ondernam eveneens verschillende stappen met betrekking tot landen
die hun rapport (art.7 van het Verdrag) nog niet overhandigden aan de Verenigde
Naties.
Conform met het artikel 7 van het Verdrag van Ottawa, overhandigde
België zijn transparante rapporten in mei 1999, op 15 augustus 1999, op
27 april 2000 en op
30 april 2001[5]. Het meest
recent rapport bevat het nieuw formaat J, waarin België inlichtingen
verstrekt over de maatregelen die genomen werden voor de financiering van de
acties tegen de landmijnen en de steun aan de slachtoffers.
In november 2000 stemde België ten gunste van het Besluit 55/33v van de
Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, handelend over de
wereldwijde verbreiding en de toepassing van het Verdrag voor het Verbod van
Landmijnen.
In 2001 neemt België de leiding van de uitgifte van het Besluit van de
Verenigde Naties over het Verdrag van Ottawa.
België is lid van het Geamendeerd Protocol II van de Conventie
over de klassieke wapens (CCW). Ter gelegenheid van de Tweede
jaarlijkse Conferentie van de Protocolpartijen in december 2000, voerde de Heer
Ambassadeur Lint een kleine Belgische afvaardiging aan. Op te merken viel dat
België de enige Protocolpartij was die een lid van een NGO in zijn
nationale delegatie opgenomen had. Het standpunt van België bestond erin de
partijen aan te moedigen om het Protocol II te blijven toepassen en om
Verdragspartij te worden van het Verdrag voor het Verbod van Landmijnen. Tijdens
deze Conferentie deed Nederland aan de Protocolpartijen een informeel voorstel
van eventuele herziening van de conventie, met de bedoeling er de overgebleven
ontplofbare oorlogstuigen in op te nemen. Talrijke Protocolpartijen, waaronder
ook België, waren dit voorstel gunstig gezind.
Op 15 october 2000 bracht België zijn jaarlijks rapport uit, conform met
het artikel 13 van het Geamendeerd Protocol
II[6].
België “neemt aan dat de Ontwapeningsconferentie,
evenals andere internationale en regionale fora, kan bijdragen tot het
bevorderen van de wereldwijde verbreiding en het verstevigen van de
internationale normen die gecreëerd werden door het Verdrag voor het Verbod
van Landmijnen”[7]. Op 1 maart
2001 herinnerde de Belgische Ambassadeur bij de Ontwapeningsconferentie, de Heer
Lint, er de vergadering van de Conferentie aan dat deze datum de verjaardag was
van de invoegetreding van het Verdrag voor het Verbod van Landmijnen. Ook
moedigde hij de Staten, die dit Verdrag nog niet ondertekenden, aan dit zo vlug
mogelijk te doen[8].
In juni 2000 en in maart 2001 verduidelijkte de Minister van Buitenlandse
Zaken het standpunt België aangaande het gebruik van
landmijnen tijdens een militaire opdracht die uitgevoerd wordt enerzijds
door een land dat het Verdrag van Ottawa niet ondertekende en anderzijds door
een land-Verdragspartij: “Geen enkele Belgische eenheid, die samen met
een niet-Verdragspartij een militaire opdracht uitvoert buiten het nationaal
territorium, mag gebruik maken van landmijnen, welke ook het kader en de
modaliteiten van ondergeschiktheid mogen zijn tijdens dit engagement.
België zal zijn diplomatieke en politieke stappen verder zetten bij zijn
partners van de NATO die het Verdrag van Ottawa nog niet ratificeerden en ze
blijven aanmoedigen dit te
doen”[9].
Deze vraag werd door de ICBL verschillende malen gesteld tijdens de
vergaderingen van het permanent comité voor het statuut en de algemene
werking van het Verdrag[10].
België heeft in dit verband als mede-voorzitter een opbouwend debat
voorgesteld in het permanent comité.
België heeft geen antipersoonsmijnen meer
vervaardigd sinds de demilitarisatie van de infrastructuur in 1990 en
verklaarde dat “de acties waaraan België deelneemt, zij het als
promotor of als deelnemer, geenszins gericht zijn op het ontwerpen of
ontwikkelen van wapens waarvan de werking identiek zou zijn met de werking van
antipersoonsmijnen.”[12]
In september 1997 was België één van de eerste landen dat
zijn voorraad antipersoonsmijnen volledig vernietigde. Volgens
het meest recente rapport over Artikel 7 van het Mine Ban Treaty (Verdrag voor
het Verbod van Landmijnen) had België 5,433 M 35 Bg antipersoonsmijnen
bewaard aan het einde van de verslagperiode op 31 december 2000. Tijdens het
jaar gebruikte België 383 mijnen voor de toegestane opleidingsdoeleinden
waarover een gedetailleerd rapport werd
uitgebracht.[13] Tegen maart 2001
was het aantal teruggebracht tot
5,426.[14]
Op 1-2 februari 2001 nam een vertegenwoordiger van de Krijgsmacht deel aan
een technische vergadering in Boedapest over de vernietiging van de PFM1
“Butterfly” mijn (vlindermijn).
Antihanteerbaarheidsmechanismen
Het zorgenkind zijn bepaalde antitankmijnen met
antihanteerbaarheidsmechanismen die kunnen werken als een
antipersoonsmijn en dus verboden worden door het Mine Ban Treaty. De kwestie
werd besproken op verschillende fora, waaronder de vergaderingen van het
Permanent Comité over het Algemeen Statuut en de Werking van de
Conventie. Op 13-14 maart 2001 hield het Internationale Comité van het
Rode Kruis (ICRC) in Genève een meeting voor experten van antitankmijnen
met gevoelige ontstekingsmechanismen of gevoelige
antihanteerbaarheidsmechanismen. Ook België woonde deze vergadering bij.
[15]
Op 11 mei 2001, toen de resultaten van de vergadering van het ICRC besproken
werden in het Permanent Comité over het Algemeen Statuut,
verklaarde de Belgische delegatie dat Artikels 1 en 2 van het Mine Ban Treaty
“een verbod zijn op het gebruik van antitankmijnen met
antihanteerbaarheidsmechanismen die ontworpen of gewijzigd werden om te
ontploffen wanneer geen poging gedaan wordt om ze aan te raken of te
storen.” De delegatie zei ook dat België zulke mechanismen beschouwt
als valstrikmijnen. Deze zijn bij de Belgische wet
verboden.[16] België juichte de
bijdrage van het ICRC toe om de doelstellingen van de Conventie te blijven
nastreven en zo alle mogelijke stappen te ondernemen om het gevaar van bepaalde
antitankmijnen voor de burgerbevolking te beperken door onder andere de
aangewezen, relevante beste praktijken in overweging te nemen en toe te passen
zoals die vastgesteld werden in het rapport van de expertmeeting van het ICRC.
In België is er heel wat vooruitgang geboekt over deze kwestie. Na een
bewustmakingsdag voor het publiek op 11 november 2000 in het Belgisch federaal
Parlement begonnen een aantal leden van de Kamer van
Volksvertegenwoordigers en de Senaat (uit heel verschillende politieke partijen)
te werken aan een verbod op
antihanteerbaarheidsmechanismen.[17]
HI België stuurde een document over antihanteerbaarheidsmechanismen naar de
parlementsleden om hen aan te moedigen deze mechanismen te
verbieden.[18] Binnen vijftien
dagen werden er vijf wetsvoorstellen over het verbod op
antihanteerbaarheidsmechanismen ingediend. Op 8 maart 2001 werden drie
voorstellen van leden van de Kamer van Volksvertegenwoordigers formeel in
overweging genomen. Op 22 februari 2001 werden twee voorstellen van
senaatsleden besproken en unaniem aangenomen in de Commissie voor Buitenlandse
Betrekkingen en
Landsverdediging.[19] De
voorstellen werden op de agenda van de plenaire vergadering geplaatst. De
Senaat zou op 8 maart 2001 over deze voorstellen
stemmen.[20] Er werd echter niet
gestemd en de kwestie werd terugverwezen naar de Commissie voor Buitenlandse
Betrekkingen en Landsverdediging.
Om de technische, humanitaire en internationale gevolgen van een verbod op
antihanteerbaarheidsmechanismen ten volle te vatten, werd op 21 maart 2001
een gemengde commissie opgericht die bestond uit de Commissie voor
Landsverdediging van de Kamer van Volksvertegenwoordigers en de Commissie voor
Buitenlandse Betrekkingen en Landsverdediging van de Senaat. HI België, de
Kabinetschef van Buitenlandse Zaken en een aantal militaire experts, onder wie
Minister van Landsverdediging Flahaut, waren uitgenodigd. HI België gaf
een overzicht van de humanitaire gevolgen van antihanteerbaarheidsmechanismen.
Volgens HI België is de Belgische wet van 1995 inzake het verbod op
antipersoonsmijnen ook een verbod op het gebruik van
antihanteerbaarheidsmechanismen. Mevr. Dardenne, medeauteur van de wet van
1995, verklaarde dat de wet zoveel mogelijk wapens met dezelfde gevolgen als die
van antipersoonsmijnen wil omvatten. Gezien de verschillende mogelijke
interpretaties van de wet, stelde Martine Dardenne voor dat er een
interpretatieve wet goedgekeurd zou worden om de precieze draagwijdte van de wet
van 1995 op antipersoonsmijnen duidelijker te maken. De parlementsleden maakten
bekend dat ze de politieke wil hebben om een verbod na te streven. Ze zijn er
zich ook van bewust dat de internationale context zou kunnen veranderen indien
België dit doet.[21]
De Minister van Landsverdediging zei: “Het Belgisch leger past de
wetgeving betreffende de antipersoonsmijnen, valstrikken en gelijkaardige
apparatuur toe, zowel naar de letter als naar de geest. Het verheugt me dat de
heer Mahoux vandaag een wetsvoorstel en een voorstel van resolutie heeft
ingediend om de Belgische wetgeving op de antipersoonsmijnen en de Conventie van
Ottawa te doen toepassen op de antihanteerbaarheidsmechanismen.... Het
wetsvoorstel dat door de heer Mahoux werd ingediend, is een stap in de goede
richting.”[22]
Maar de Minister van Landsverdediging bracht ook naar voren dat de
vernietiging van antitankmijnen met antihanteerbaarheidsmechanismen heel duur
zou zijn en dat de samenwerking met multinationale machten in overweging genomen
moet worden. De Minister wil samen met de EU- en NAVO-leden nagaan of ze reeds
een nationale wet hebben die gevoelige antihanteerbaarheidsmechanismen verbiedt
en wil de gevolgen voor de NAVO van het verbod op zulke mechanismen bespreken.
Als antwoord op een vraag van twee leden van de Kamer van
Volksvertegenwoordigers zei de Minister: “België heeft, net als zijn
partners en bondgenoten, een voorraad antitankmijnen waarvan een bepaald
percentage uitgerust is met antihanteerbaarheidsmechanismen... België wil
zijn strijd tegen antipersoonsmijnen voortzetten. Ik heb de Senaat officieel
meegedeeld dat ik voor het wetsvoorstel was zoals het ingediend werd... We
kunnen beslissen ze niet meer te gebruiken, maar dan hebben we tijd nodig om ze
te ontmantelen. De vertragingen zullen verschillend zijn in verhouding tot het
aantal bestaande mechanismen. We moeten ook rekening houden met het
vervangingsprobleem en het feit dat we een zekere voorraad moeten houden om onze
soldaten op te leiden zoals we dat gedaan hebben voor
antipersoonsmijnen.”[23]
België heeft één antitankmijn met een
antihanteerbaarheidsmechanisme: de HPD (of HPD F2). Dit is een Franse
mijn met een antihanteerbaarheidsmechanisme en een zelfneutraliserend
systeem[24] dat volgens het leger
100 procent doeltreffend is. Een legerofficier vertelde de parlementsleden het
volgende: “Dit soort van antitankmijnen met
antihanteerbaarheidsmechanismen ontploft niet door een ongewilde handeling,
aangezien je ze krachtig moet bewegen om ze te laten
ontploffen.”[25] Het leger
verklaarde dat het geen andere antitankmijnen met
antihanteerbaarheidsmechanismen heeft en dat het geen valstrikmijnen gebruikt,
daar deze verboden worden door de nationale wet op antipersoonsmijnen.
Probleem van de Landmijnen/UXO’s, Slachtoffers, Hulpverlening
België wordt niet getroffen door mijnen,
maar af en toe worden er nog niet-ontplofte oorlogstuigen (UXO: unexploded
ordnance) en mijnen uit de twee wereldoorlogen gevonden. Zo werd er op
1 januari 2001 een landmijn gevonden in
Snellegem.[26] De Krijgsmacht heeft
een Explosive Ordnance Disposal (EOD) eenheid, de SEDEE-DOVO (Dienst voor
Opruiming en Vernietiging van Ontploffingstuigen). Deze eenheid wordt nog
regelmatig ingeschakeld in
België.[27]
Soms vallen er ook doden en gewonden door UXO’s. In
april 2000 raakten een amateur-verzamelaar van oorlogsrestanten en vier
brandweermannen gewond toen een UXO ontplofte. Op 4 oktober 2000 werd een
andere verzamelaar gedood door een UXO in Diksmuide in het dorp
Essen.[28] Een kapitein van de
SEDEE-DOVO vertelde dat er elk jaar minstens één of twee mensen
gedood worden door UXO’s in de gebieden waar er gevochten werd tijdens de
Eerste Wereldoorlog. Hij zei dat er sinds 1999 alleen verzamelaars van
oorlogsrestanten betrokken raakten bij dergelijke ongevallen en dat de
burgerbevolking geen gevaar meer
loopt.[29] Tengevolge van de
ongevallen bij verzamelaars in deze gebieden van België besloot de
Gouverneur van de Provincie Oost-Vlaanderen een bewustmakings- en
preventiecampagne rond UXO’s te organiseren. De plaatselijke politie
kreeg instructies van de SEDEE-DOVO.
Tijdens 2000 werden er 3,125 aangiften gedaan bij de
SEDEE-DOVO-eenheid. Er werd 304 ton UXO’s/mijnen
vernietigd.[30] Gedurende de
laatste week van 2000 vonden aannemers aan de Belgische kust granaten uit de
Tweede Wereldoorlog. Aangezien er nog mijnen of andere springstoffen konden
liggen, controleerde de SEDEE-DOVO het hele
gebied.[31]
Mensen die gewond raken door mijnen of UXO’s vallen onder
de algemene bepalingen voor ongevallen of ziekte. Mensen die een amputatie
ondergaan hebben en arbeidsongeschikt zijn, kunnen een invaliditeitsuitkering
trekken.[32] De
ziekteverzekering vergoedt de medische kosten en revalidatiekosten. Gezinnen
met één of meer gehandicapte leden kunnen een belastingverlaging
krijgen. Gehandicapten in het algemeen genieten andere voordelen, zoals
gereserveerde parkeerplaatsen en een verlaagde telefoon-, gas- en
elektriciteitsrekening.
België beschrijft zijn positie betreffende de
toewijzing van geldmiddelen voor acties tegen mijnen in termen van de
bevordering van coördinatie en integratie. Men koos voor een
multidisciplinaire aanpak. Deze aanpak omvat humanitaire ontmijning,
hulpverlening aan slachtoffers en wetenschappelijk onderzoek naar veiligere
technologieën. Voorrang wordt gegeven aan ontmijning op plaatsen waar men
land nodig heeft om te overleven. Er wordt speciale aandacht besteed aan
opleiding en vorming ter plaatse. De voorkeur wordt gegeven aan staten die
partij zijn bij het Mine Ban Treaty teneinde de geldmiddelen optimaal aan te
wenden en ervoor te zorgen dat er in ontmijnde gebieden niet opnieuw mijnen
gelegd worden. In sommige noodgevallen kunnen er echter middelen toegewezen
worden aan staten die geen partij zijn bij het verdrag.
In 2000 besteedde België ongeveer 2.068 miljoen USD aan ontmijnings-,
bewustmakings- en hulpverleningsprogramma’s. Er werd nog eens 405,407 USD
uitgetrokken voor de uitvoering van het Mine Ban Treaty en 1.276 miljoen USD
voor research en development (R&D). In 1999 gaf men 2.3 miljoen USD uit aan
acties tegen mijnen en de uitvoering van het verdrag. Er werd 1.4 miljoen USD
extra voorzien voor R&D. De financiële gegevens van 2000 werden
ingevoerd in de investeringsdatabase van de
VN.[34]De financiële
bijdragen voor acties tegen mijnen in 2000 kunnen in de volgende
categorieën ondergebracht worden:[35]
Steun voor promotiewerk en bewustmakingscampagnes: 2,922,044 BEF (64,862
USD)
Bijdrage om de coördinatie van het Belgische netwerk van de
ICBL te steunen in samenwerking met HI België.
Steun voor de bevordering en uitvoering van het Mine Ban Treaty: 9 miljoen BEF
(199,778 USD)
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken wees 7 miljoen BEF (155,383
USD) toe aan het Voluntary Fund van de VN.
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken trok 2 miljoen BEF (44,395
USD) uit voor de bevordering van het Mine Ban Treaty en de tussentijdse
vergaderingen van het Permanent Comité.
Steun voor toezicht op het Mine Ban Treaty: 6,350,000 miljoen BEF (140,767 USD)
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken besteedde 2 miljoen BEF
(44,405 USD) aan Landmine Monitor.
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken schonk nog eens 3,350,000 BEF
(74,362 USD) om een researchconferentie in Brussel in januari/februari 2000 te
steunen en afgevaardigden uit ontwikkelingslanden in staat te stellen om hieraan
deel te nemen. Het Ministerie van Landsverdediging steunde eveneens de
conferentie door een tentoonstelling te organiseren over antipersoonsmijnen.
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken stelde het Egmontpaleis in Brussel,
logistieke steun en 1 miljoen BEF (22,000 USD) ter beschikking van de ICBL voor
dit evenement.
Steun voor ontmijningsoperaties (humanitaire of militaire
samenwerkingsprojecten): 59,945,000 BEF (1,330,632 USD)
Cambodja: 11,360,000 BEF (252,160 USD) -
financiële steun en steun in natura van het Ministerie van Buitenlandse
Zaken en het Ministerie van Landsverdediging. Drie ontmijningsexperts zijn
sinds 1994 werkzaam in het Cambodjaanse Mine Action Center als technisch
adviseur voor een ontwikkelingsproject. Met dit project wil men het
Cambodjaanse personeel in staat stellen na verloop van tijd onafhankelijk te
werken.
Kosovo: steun in natura van het Ministerie van
Landsverdediging. België stuurde drie vaste ontmijningsexperts naar dit
gebied. Zij werken onder het KFOR-mandaat en helpen plaatselijke
ontmijningsorganisaties.
Kroatië: steun in natura van het Ministerie van
Landsverdediging. België stuurde een opleidingsadviseur voor het Demining
Mission project van de West-Europese Unie in samenwerking met de EU en de
West-Europese Unie.
International Trust Fund: het Ministerie van
Buitenlandse Zaken reserveerde 5 miljoen BEF (110,988 USD) voor
ontmijningsoperaties.
Laos: het Ministerie van Buitenlandse Zaken stuurde
drie ontmijningsexperts om technische bijstand te verlenen. Zo kan het
personeel van UXO LAO, het nationale UXO-programma, na verloop van tijd
onafhankelijk werken. Het Ministerie schonk ook 16.7 miljoen BEF (370,699
USD).
Albanië: het Ministerie van Buitenlandse Zaken
trok 1.1 miljoen BEF (24,417 USD) uit voor het speciale fonds voor de
vernietiging van de voorraad antipersoonsmijnen in Albanië.
Democratische Republiek Congo (Kisangani):een
project vanHI voor de bewustmaking en vernietiging van mijnen en
UXO’s kreeg 25,785,000 BEF (572,364 USD) van het Ministerie van
Buitenlandse Zaken.
Steun voor de bewustmaking van het
mijnenprobleem en hulpverlening aan slachtoffers: 33,217,561 miljoen BEF
(737,349 USD)
3 miljoen BEF (66,593 USD)voor de speciale oproep van het
ICRC eind 1999 voor de periode 2000-2005 voor preventie en hulpverlening aan de
slachtoffers van antipersoonsmijnen.
30,217,561 BEF (670,756 USD) voor de operaties van HI in
Afghanistan, Angola, Cambodja en Noord-Irak.
Details:
Afghanistan:
Bewustmakingsprogramma over het gevaar van mijnen: 924,000 BEF
(20,510 USD)
Angola:
Steun aan gehandicapten en slachtoffers van mijnen: 7,392,000 BEF
(164,084 USD)
Steun voor R&D van nieuwe opsporings- en ontmijningstechnologieën:
57,470,095 BEF (1,275,697 USD)
HUDEM (HUmanitarian DEMining) wordt
gezamenlijk gefinancierd door de Ministeries van Buitenlandse Zaken en
Landsverdediging: 14,375,000 BEF (320,000 USD) en steun in natura.
Het PARADIS-project wordt gefinancierd met het budget van
het Departement Wetenschapsbeleid: 2,222,500 BEF (49,334 USD) voor het jaar 2000
en 1,311,250 BEF (29,107 USD) voor 2001.
Het APOPO-project kreeg een hoger budget van de Ministeries
van Buitenlandse Zaken en Landsverdediging: 33.5 miljoen BEF (743,600 USD).
Met het HOPE-project tracht men een draagbare, multi-sensor
mijndetector te ontwikkelen. Het project kreeg middelen in natura van het
Ministerie van Landsverdediging. Deze worden geschat op 3,752,000 BEF (83,285
USD).
De Multi Sensor Mine Signature campagne wordt in natura
gesteund met ongeveer 2,310,000 BEF (51,276 USD) door het Ministerie van
Landsverdediging.
België houdt zich al jaren bezig met R&D van nieuwe
technologieën inzake mijnen.
Prof. Acheroy van de Koninklijke Militaire School woonde in mei 2001 de
vergaderingen van het Permanent Comité in Genève bij. Hij stelde
er voor een structuur te ontwerpen voor R&D op het gebied van humanitaire
ontmijning.
ITEP: Op 17 juli 2000 werd het Memorandum of
Understanding over het International Test and Evaluation Program (ITEP)
(Internationaal Test- en Evaluatieprogramma) ondertekend door België,
Canada, Nederland, Zweden, het Verenigd Koninkrijk, de Verenigde Staten en het
Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek in Ispra (als vertegenwoordiger van de
EU). “ITEP zal dienen als een centrum om de ontwikkeling en de
uitwisseling van informatie over nieuwe technologieën voor humanitaire
ontmijning te bevorderen. ITEP zal overal ter wereld bestaande en
potentiële test- en evaluatieplaatsen verenigen om een onafhankelijke,
gestandaardiseerde manier te bepalen voor het testen van deze nieuwe
technologieën.”[37]
HUDEM: het Nationaal Project rond Humanitaire
Ontmijning, gelanceerd in 1997 op initiatief van de Minister van
Landsverdediging, wordt gecoördineerd door de Koninklijke Militaire School
in samenwerking met onderzoekers van acht Belgische universiteiten, twee
Belgische hogescholen voor industrieel ingenieurs, King’s College in
Londen, het Frans-Duitse Onderzoekscentrum Saint-Louis en drie eenheden van het
Belgische leger. Het project omvat wetenschappelijk onderzoek naar nieuwe
detectors, zoals grond penetratie radars, metaal- en infrarooddetectors,
nucleaire vierpolige resonantie, biosensoren en detectie van mijnenvelden van op
lucht- en ruimteplatformen.
Met het PARADIS-project wil men een elektronisch planning- en
follow-uptool voor ontmijningsoperaties ontwikkelen dat gebaseerd is op
satellietbeelden. Het project wordt geleid door de Koninklijke Militaire School
in samenwerking met de Vrije Universiteit van Brussel en de SEDEE-DOVO. Er was
een tweede opdracht in Mozambique gepland voor april 2001 en een
evaluatieopdracht in Laos in juni
2001.[38]
HetAPOPO-project onderzoekt het gebruik van
‘biosensoren’ (Afrikaanse ratten) in humanitaire
ontmijningsoperaties. Het project bereikte een zeer belangrijke resultaat op 15
juli 2000 toen de nieuwe APOPO-infrastructuur geïnstalleerd werd in de
Sokoïne University in Tanzania (dit betekende meer Belgische fondsen). Er
werd een team van tien mensen aangeworven om ratten af te richten voor de
opsporing van antipersoonsmijnen door middel van de geur van TNT. De tests in
echte mijnenvelden zullen plaatsvinden vanaf de lente van 2001.
HetHOPE- (Hand-held Operational Demining System) project wordt
geleid door de Koninklijke Militaire School in samenwerking met het Duitse
ruimtevaartcentrum, het Duitse radarbedrijf RST, de Belgische bedrijven
Spacebell en Bats en twee NGO’s die gespecialiseerd zijn in
ontmijningsoperaties (Mines Advisory Group en Norwegian People’s Aid).
België is verantwoordelijk voor de configuratie van het programma dat de
signalen en datafusie analyseert. De SEDEE-DOVO is van plan het systeem te
testen met betrekking tot een inert mijnenveld. Er zijn ook praktijktests
gepland voor 2001 in Bosnië en Herzegovina in samenwerking met
NPA.[39]
HetMulti-Sensor Mine Signatureproject wordt geleid door de
Koninklijke Militaire School in samenwerking met ontmijningsexperts uit het
Verenigd Koninkrijk, Nederland en Duitsland. Met het project wil men een
database met gegevens over mijnen opzetten om de onderzoekers te helpen bij het
testen of ontwikkelen van een nieuwe generatie mijndetectors.
HetARIS-Netwerk wil het Europese onderzoek naar humanitaire
ontmijning versnellen door informatie te bieden over de ontwikkelingen en
moeilijkheden in lopende onderzoeken, nieuwe technologieën, procedures en
normalisatierichtlijnen.
Het Airborne Minefield Detection Pilot Projectwerd
medegefinancierd door de Europese Commissie, verscheidene EU-staten en
organisaties. Het project is ten einde gelopen en de conclusies zijn negatief
wat de haalbaarheid van de opsporing van mijnenvelden door beelden vanuit de
lucht betreft. Er was veel kritiek op het enorme budget van het project, de
beperking van de doelstellingen en de negatieve
eindresultaten.[40]
Activiteiten van NGO’s
In 2000 en 2001 werden tal van activiteiten
georganiseerd rond het mijnenprobleem om de mensen op de hoogte te
houden van de recente ontwikkelingen. De Belgische koninklijke familie zet zich
volledig in voor het verbod op mijnen. Naast de toespraak van Prinses Astrid in
de Tweede Vergadering in september 2000 van de Staten die partij zijn bij het
verdrag verleende Hare Koninklijke Hoogheid Prinses Mathilde haar Hoge
Bescherming aan HI België.
Op 21 juli 2000, de Nationale Feestdag van België, kreeg
de organisatie tegen landmijnen enorm veel steun van de bevolking, de federale
regering en de hele koninklijke familie. Zowel soldaten als burgers droegen de
blauwe veters van HI als symbool van hun steun aan de mijnenslachtoffers. Dit
evenement kreeg heel veel media-aandacht in beide landsdelen. Het was de eerste
keer dat de Staat, de koninklijke familie, het leger en de burgerbevolking zich
allemaal inzetten voor het doel van een NGO.
In augustus 2000 vond een ander bewustmakingsevenement, een
internationale atletiekwedstrijd, plaats op de Memorial Ivo Van Damme.
Hier liepen zeven ex-missen 100 meter om de aandacht te vestigen op het probleem
van de landmijnen. Ze droegen blauwe veters (het symbool van HI) in hun
schoenen.[41] De blauwe veters
stonden ook in het middelpunt van de belangstelling tijdens verschillende
festivals[42] en plaatselijke en
nationale sportevenementen.
In september 2000 werd er een persconferentie georganiseerd om het
Landmine Monitor Report 2000 voor te stellen. Dit rapport werd massaal
verspreid. Het Belgische rapport werd uitgebracht in een meer gedetailleerde
versie. De Eerste Minister toonde belangstelling voor de
rapporten.[43]
Op 16 september 2000 organiseerde HI België de Nationale Dag van
de Blauwe Veters, een jaarlijkse bewustmakingsdag voor het publiek over
het mijnenprobleem.[44] Op 21
september 2000 vond er ook een bewustmakingsdag plaats in het Parlement van de
EU in Brussel. Op 11 november 2000 werd er een bewustmakingsdag voor jongeren
georganiseerd over verschillende actuele onderwerpen en in het bijzonder over
het probleem van de landmijnen. De organisatie gebeurde in samenwerking met het
federaal Parlement, het leger en een aantal
NGO’s.[45]
In 2000 zette men tal van andere bewustmakingsactiviteiten op
touw rond het mijnenprobleem in verschillende fora (scholen, jeugdorganisaties,
enz.) om de mensen op de hoogte te houden van de recente ontwikkelingen. Er
werd een fototentoonstelling van mijnenslachtoffers georganiseerd op twee
culturele plaatsen in Brussel. De foto’s werden genomen door vijf
beroemde vrouwelijke fotografen in Cambodja, Kosovo, Nicaragua, Senegal en
Thailand.[46]
Om de tweede verjaardag van de inwerkingtreding van het Mine Ban
Treaty op 1 maart 2001 te vieren, verstrekte HI België een
perscommuniqué en bezocht een delegatie de Ambassade van de VS in Brussel
om de VS aan te moedigen zich te houden aan het Mine Ban Treaty. Er werden ook
schoenen als symbool van de mijnenslachtoffers naar President Bush gestuurd
vanuit verschillende delen van de wereld waar HI werkzaam is.
[1] Zie Landmine Monitor Report 2000,
p.577 [2] Toespraak van Hare Koninklijke
Hoogheid Prinses Astrid van België ter gelegenheid van de Tweede
Conferentie van de deelstaten van het Verdrag, Genève, 11 september
2000, gepubliceerd onder « Prinses en Sir willen Verenigde Staten
beschaamd maken », Het Volk, 12 september
2000. [3] « Antwoord op de
vragenlijst van Handicap International België i.v.m.de Belgische houding
tegenover het verbod op de antipersoonsmijnen, na onderling overleg gegeven door
de Heren Louis Michel, Vice-Eerste Minister en Minister van Buitenlandse Zaken,
André Flahaut, Minister van Landsverdediging, Eddy Boutmans,
Staatssecretaris voor Ontwikkelingssamenwerking en hun administratieve
afgevaardigden onder coördinatie van de Vice-Eerste Minister en Minister
van Buitenlandse Zaken » (hieronder : Belgisch antwoord op de
vragenlijst van het Mijnenobservatorium, Ministerie van Buitenlandse Zaken,
Brussel, maart 2001, p.1). [4] Belgisch
antwoord op de vragenlijst van het Mijnenobservatorium, Ministerie van
Buitenlandse Zaken, Brussel, maart 2001,
p.1. [5] Verdrag voor het Verbod van
Landmijnen, rapport m.b.t.art.7, uitgebracht op 2 mei 1999 voor de periode van 3
december 1997 tot 30 april 1999 ; uitgebracht op 15 augustus 1999 voor de
periode van 1 mei 1999 tot 15 augustus 1999 ; uitgebracht op 27 april 1999
voor het kalenderjaar 1999 en uitgebracht op 30 april 2001 voor het kalenderjaar
2000. [6] Conventie over de klassieke wapens
met buitensporige traumatische gevolgen, geamendeerd protocol II, rapport van
artikel 13, 15 october 2000. [7] Verslag van
de permanente Belgische delegatie bij de Organisatie voor Samenwerking en
Veiligheid in Europa (OSVE), 15 december 2000,
p.1. [8] « 111 States ratified the
Convention on Antipersonnel Landmines, Belgium tells the Conference on
Disarmament », Perscommuniqué van de Verenigde Naties, 1 maart
2001,
www.unog.ch/news2/documents/newsen/dc0109e.html [9]
Onderhoud met het Ministerie van Buitenlandse Zaken, 15 juni 2000 ;
Belgisch antwoord op de vragenlijst van het Mijnenobservatorium, maart 2001,
p.5. [10] Belgisch antwoord op de
vragenlijst van het Mijnenobservatorium, maart 2001, p.5 ; Mondelinge
opmerkingen van de Heer Ambassadeur Lint tijdens de vergadering van het
Comité voor het statuut en de algemene werking van het Verdrag,
Genève, 11 mei 2001. [11] Details van
de voorbije vervaardiging en verplaatsing werden opgetekend in het Landmine
Monitor Report 1999, blz. 540-543. [12]
Ministerie van Buitenlandse Zaken, “De Belgische positie tegenover acties
tegen antipersoonsmijnen,” april 2000, p.
1. [13] MBT-rapport over Artikel 7,
ingediend op 30 april 2001, voor het kalenderjaar 2000, Formulieren B, D,
G. [14] Belgisch antwoord op de vragenlijst
van Landmine Monitor, maart 2001, p. 5.
[15] De deelnemers waren Majoor
Jones, Militair Adviseur, Kapitein Muylkens, DOVO, Belgische Krijgsmacht, Dhr.
Angelet, Adjunct-hoofd van de Vertegenwoordiging, Permanente Vertegenwoordiging
bij de CD. België legde verklaringen af over verschillende punten:
magnetische en akoestische systemen vallen onder de categorie van
“ontstekingsmechanismen” en niet onder de categorie van
“antihanteerbaarheidsmechanismen”; infrarood- en magnetische
ontstekingsmechanismen worden nooit alleen gebruikt, maar in combinatie omwille
van hun aard; België beveelt zelfneutralisering aan in plaats van
zelfvernietiging, daar dit milieuvriendelijk is; zodra zelf-deactiverende
batterijen vervallen, is de mijn volledig onschadelijk.
[16] Aantekeningen Landmine Monitor, Permanent
Comité over het Algemeen Statuut, Genève, 11 mei 2001.
[17] Er was een onderzoeker van Landmine
Monitor aanwezig op de vergadering met Martine Dardenne (ECOLO), een lid van de
Kamer van Volksvertegenwoordigers, 25 januari 2001, met Karine Lalieux, (PS),
een lid van de Kamer van Volksvertegenwoordigers, 29 januari 2001, en met
Senator George Dallemagne (PSC), 30 januari
2001. [18] HI België, Mijnen-Eenheid,
“Antihanteerbaarheidsmechanismen,” Brussel, februari
2001. [19] Belgische Senaat, Commissie voor
Buitenlandse Betrekkingen en Landsverdediging, Bulletin van de Commissie,
Agenda, 22 februari 2001. In het verslag werd het voorstel van dhr. Mahoux
(2-647/1) aanvaard. Het voorstel van mevr. Thijs (2-648/1) werd niet vervolgd
omwille van de aanvaarding van het voorstel van dhr. Mahoux over hetzelfde
onderwerp. [20] Belgische Senaat, Plenaire
vergaderingen, Bulletin van de Commissie, Agenda, 8 maart
2001. [21] Een onderzoeker van Landmine
Monitor was aanwezig in het Belgische Parlement, Senaat, Gemengde Commissie met
leden van de Commissie voor Buitenlandse Betrekkingen en Landsverdediging van de
Senaat en leden van de Commissie voor Landsverdediging van de Kamer van
Volksvertegenwoordigers, Brussel, 21 maart
2001. [22] Antwoord van de Minister van
Landsverdediging op de parlementaire vraag van Senator Dallemagne (PSC),
Plenaire vergadering, Senaat, 8 februari 2001 (onofficiële
vertaling). [23] Gezamenlijke mondelinge
vragen van leden van de Kamer van Volksvertegenwoordigers, Dirk Van der Maelen
en Martine Dardenne, over “antihanteerbaarheidsmechanismen” aan de
Minister van Landsverdediging, Commissie voor Landsverdediging, Kamer van
Volksvertegenwoordigers, Integrale Bulletin CRIV 50 COM 403, 6 maart 2001, blz.
9-12. [24] Colin King (ed.), Jane’s
Mines and Mine Clearance (Coulsdon, UK: Jane’s Information Group Ltd.,
2000), blz. 463. [25] Kapitein Muylkens
zette de werking van de HPD-antitankmijn, die hij meegebracht had, uiteen aan de
parlementsleden. Gemengde Commissie, Senaat, 21 maart
2001. [26] “Snellegem landmijn
blootgelegd,” Het Laatste Nieuws, 1 januari 2001.
[27] De SEDEE-DOVO heeft ook tien
ontmijners in het buitenland om de Belgische troepen te beschermen en om aan
humanitaire ontmijning te doen (drie in Cambodja, vier in Laos en drie in
Kosovo). [28] Telefoongesprek met Kapitein
Muylkens van de SEDEE-DOVO, 23 januari
2001. [29] Telefoongesprek met Kapitein
Muylkens van de SEDEE-DOVO, 23 januari
2001. [30] E-mail van Kapitein Muylkens,
SEDEE-DOVO, 23 januari 2001. [31]
“Vrees voor mijnenveld onder pier,” Het Volk, 2 januari
2001. [32] “Handigids,”
Volksgezondheid en Milieu: Dienst Gehandicaptenbeleid, Ministerie van Sociale
Zaken, Brussel, 1999. [33] Tenzij anders
aangegeven, is de informatiebron in deze paragraaf: Belgisch antwoord op de
vragenlijst van Landmine Monitor, Ministerie van Buitenlandse Zaken, maart 2001,
blz. 6-10. [34] Website:
<www.un.org/Depts/dpko/mine>. [35] De
totalen hebben betrekking op 2000, tenzij anders aangegeven; wisselkoers op 23
maart 2001: 1 USD=45.05. [36] Belgisch
antwoord op de vragenlijst van Landmine Monitor, maart 2001, blz.
11-13. [37] “Agreement for
International Test and Evaluation Program for Humanitarian Demining,”,
Department of State VS, Office of the Spokesman, Persbericht, 17 juli 2000.
Website:
<www.useu.be/ISSUES/demin0717.html>. [38]
E-mail van Kapitein Muylkens, SEDEE-DOVO, 23 januari
2001. [39] E-mail van Kapitein Muylkens,
SEDEE-DOVO, 23 januari 2001. [40] Interview
met Prof. Acheroy, Signal and Image Centre, Departement Elektrotechniek,
Koninklijke Militaire School, 4 januari
2001. [41] “Rennen met...blauwe
veters!,” TV Story, 31 augustus
2000. [42] “Dwars door Brakel”
(wandeling), 30 april 2000, Mano Mundo Festival Boom (muziekfestival), 14 mei
2000, Jogging Party van Solstice (wandeling), 24 juni 2000, Dodentocht 2000
Bornem, 10 augustus 2000, Tenniswedstrijd voor rolstoelgebruikers in Aat, 1-3
september 2000. [43] Brief van Eerste
Minister Guy Verhofstadt, Brussel, 18 december 2000.
[44] Interview met Koen Schelkens,
co-organisator van het evenement, Communicatieafdeling België, HI, 5
januari 2001. [45] “En bref:
Activité de sensibilisation au Parlement belge,” Ban Mines
Newsletter nr. 3, HI België, Brussel, november 2000, p.
6. [46] “Exposition Terres
Minées,” HI België, intranet, HIB02.